
Als het noodzakelijk is om een grondmonster te beproeven op geotechnische materiaal eigenschappen, is het zaak dat het monster van zo hoog mogelijke kwaliteit is. Het monster moet ongeroerd zijn, dat wil zeggen: het monster vertegenwoordigt de maagdelijke ongestoorde bodem. Een manier om een dergelijk monster te nemen is door het uit de bodem te steken met een Ackermann steekapparaat.
Het steken van een ongeroerd monster met behulp van het Ackermann steekapparaat kan plaatsvinden in een boorgat dat gemaakt is met behulp van de pulsboormethode. Op vooraf bepaalde dieptes of op geregelde diepte intervallen (bijvoorbeeld elke meter) kan met behulp van het steekapparaat een monster worden genomen. Na het nemen van het monster kan de boring dieper worden gepulst tot de diepte van het volgende monster of de diepte waarop bijvoorbeeld een peilbuis wordt geplaatst. Als een boring continu wordt gestoken met gebruikmaking van het Ackermann steekapparaat spreekt men van een Ackermann boring.
Een standaard Ackermann monster bevindt zich in een stalen bus en heeft een lengte van 35 centimeter en een diameter van 66 milimeter. Monsters met deze afmetingen zijn geschikt voor de meest gangbare geotechnische beproevingen zoals samendrukkings- en triaxiaalproeven. Continue gestoken Ackermannboringen kunnen tevens volledig in het laboratorium worden beschreven en gefotografeerd. De Ruiter maakt uitsluitend gebruik van gecertificeerde laboratoria voor zowel geotechnische als milieukundige beproeving.
Ackermannboringen worden door de Ruiter zowel op land als op het water uitgevoerd voor geotechnische en milieukundige toepassing. Op het water wordt voor de bemonstering van slappe waterbodems en slibbemonstering het Ackermann steekapparaat gecombineerd met een zuigerboor om monsterverstoring door compressie te minimaliseren. Deze Ackermann-zuigerboortechniek is door de Ruiter ontwikkeld.